22 maart 2016

22 maart 2016

Deze opeenvolging van woorden is een uitbarsting.

Ik heb het koud en warm tegelijkertijd. Gloeiende lava van afgunst dat als een ijskoude gletsjer vol vragen over mijn lichaam glijdt.

Is dat het teken dat de terreur mij eindelijk te pakken heeft? Een virus dat weergaloos om zich heen slaat. Binnenkort is heel de wereld besmet.

Apocalyptische drama’s zijn mijn lievelingsgenre. In boek- en filmvorm. Hoe reageer je als mens op waanzin?

Vandaag is waanzin. Vooral in mijn hoofd.

Ik voelde me betrokken bij wat in Parijs gebeurde, enkele maanden geleden. Ik was razend.

Vandaag ben ik verre van razend.

Het klinkt dwaas. Maar vandaag voel ik me een wandelende dode.

Ruis.

Dan plots toch weer lachen. We moeten toch blijven lachen?

Toen we met een enkele collega’s vanuit Kobbegem terug naar Sint-Jans-Molenbeek keerden was het zelfs even gezellig. Er werd niets zinnigs gedaan, er werd niets zinnigs gezegd. We waren gewoon.

Zoals we eigenlijk voor 8 uur deze ochtend waren, maar dan zonder.

In die post-apocalyptische verhalen gaat het om de existentiële strijd. Dat is een strijd die je voert met je omgeving en een strijd die je voert met je innerlijke zelf om toch op een menswaardige manier te kunnen leven.

Je moet geen opperbevelhebber zijn om te beseffen dat strijden op verschillende fronten fataal kan zijn. Zijn we daar sterk genoeg voor? Of zetten we onze menselijkheid op pauze? Laten we het wraakzuchtig beest in ons los?

Door de ruis af en toe een lichtpunt.

Zoals mensen die elkaar helpen. Sussend.

Tranen springen in mijn ogen, maar ze weigeren zich te tonen. Ik weet niet waarom.

Is dat het terreurvirus?

Mijn lief zit op dit moment waar ze het liefste zit. In bad, met enkele M&M’s in haar lievelingspotje, dat met rode stippen.

Ik krijg de kans om me even af te sluiten en de koude en warme winden van me af te schrijven. Het helpt niet.

Pak vanavond je geliefden eens extra vast.

Dat is gevoel dat ons de juiste weg zal tonen.

Het coverbeeld voor dit stuk, haalde ik uit deze tweet:

De waarheid ligt niet in het midden, ze ligt in scherven uit elkaar

De waarheid ligt niet in het midden, ze ligt in scherven uit elkaar

Ik heb geroepen. Ik heb voor me uit zitten staren. Ik heb geweend. Toen die verschrikkelijke beelden uit Bataclan mijn netvlies bereikten leek het alsof mijn ogen zeiden: ‘Dit wil je niet zien.’ Toch bleef ik kijken, uit pure verbijstering.

Ik had me voorgenomen om geen #blogfrenetiek aan deze ramp te wijden. Het spijt me ergens nu al dat ik eraan begin. Het vreet aan me mocht ik het niet doen.

Het is erg om zeggen, maar ondertussen weet iedereen hoe het mensdom op gebeurtenissen als die van 13/11 reageert. We kennen de routine. We zijn er ondertussen voldoende in getraind. In eerste instantie staan we collectief perplex. We willen weten wat er gebeurd is. We betuigen ons medeleven, elk op zijn manier.

Druppelsgewijs loopt er nieuws binnen. De eerste schuldigen worden aangewezen, de eerste meningen worden gevormd. Stilaan kiest iedereen kant (of beter: iedereen heeft al lang kant gekozen, maar neemt nu ook publiekelijk dat standpunt in), er verschijnen meningen over meningen. Meningen over meningen over meningen en reacties op reacties over meningen over meningen over meningen.

Ik probeerde het dit weekend allemaal te volgen. Discussies of de terroristen al dan niet professionals zijn. ‘Wie een vol stadion wil doen ontploffen en daar maanden voorbereiding voor treft, komt toch niet te laat’, las ik ergens, ik weet al lang niet meer waar. Wie zal het zeggen? Komt de waarheid ooit aan het licht?

Op Facebook verdwaalde ik in opiniestukken die religieuze teksten, theologen en profeten citeren. Allemaal mensen op zoek naar een waarheid, een verklaring voor de barbaarse aanslagen. Is de Islam gewelddadig van natuur? Of interpreteren die kerels van IS of Daesh – Wat is het eigenlijk? – de Koran naar hun meedogenloze goesting? Moeten moslims zich voor de zoveelste keer verontschuldigen voor die radicale marginalen die het voor iedereen verprutsen?

Ik ben niet in staat, noch geplaatst om een zinnig antwoord op dergelijke vragen te geven. Dat laat ik aan anderen over. Ik heb er in mijn leven een soort sport van gemaakt om mensen er telkens op te wijzen dat de waarheid ergens in het midden ligt. Deze keer moet ik bekennen dat ik ongelijk heb.

De waarheid ligt in duizenden scherven uit elkaar.

Ik vrees dat we die scherven nooit meer bijeen geveegd krijgen. We zullen het moeten doen met de antwoorden die we vinden. Onderstaande stukken hebben voor mij het aantal scherven al aanzienlijk gereduceerd.

  1. The Atlantic: What ISIS really wants
  2. The Guardian: Why ISIS fights
  3. Vox.com: The perfect response to people who blame Islam for ISIS

Terwijl de publieke opinie zich nog via allerlei fora beraadde of de oorlogsverklaring van de Franse president Hollande een aangewezen reactie of een verschrikkelijke dwaling is, raakte bekend dat België niet vrijuit gaat. Meer zelfs: België is de plek waar al die waanzin de ruimte kreeg om te kiemen en uit te groeien tot een kwaadaardig plan.

Sta me toe hier drie opiniestukken te delen die voor voorzichtigheid pleiten:

  1. Patrick Loobuyck: ‘Het is bang duimen voor redelijkheid nu…
  2. David Van Reybrock: ‘U bent erin getuimeld, met open ogen nog wel, Monsieur le Président
  3. The Ron Paul Institute: ‘Paris, you don’t want to read this

Maar dus, Sint-Jans-Molenbeek werd het gespreksonderwerp, van in de diepste, donkerste krochten van het web, tot in de allerhoogste echelons van onze wereldmacht. Het grootse probleem: voor de zoveelste keer leken niet alle wegen naar extremisten in vochtige grotten hier ver vandaan te leiden, maar naar het Chicago van Brussel. De eerste keer kan je nog spreken over toeval, de tweede keer over pech, de derde keer moet iedereen jammer genoeg erkennen dat Sint-Jans-Molenbeek een serieus probleem heeft.

De wereld kijkt toe.

Ik voel me bekeken.

Ik ben nochtans niet het soort Molenbekenaar die iedereen angst inboezemt. Ik ben nu eenmaal geen moslim. Maar waar ik ook kom, vragen mensen: ‘Hoe is het daar nu in Molenbeek?’ Om het antwoord uit de weg te gaan, reageer ik met een heel foute grap. ‘Alles dik in orde, ik woon in de uitvalsbasis van de slechterik.’ Er wordt wat onwennig gelachen, er is geen reden meer om het gesprek verder te zetten.

Ik heb daar ondertussen spijt van. Mijn lief kwam vanavond thuis. Ze was kwaad, ambetant. ‘Ontkennen dat er van alles fout loopt in Molenbeek is nog dwazer dan de opwarming van de aarde te ontkennen. Maar dat wil niet zeggen dat elke moslim in Sint-Jans-Molenbeek zich moet verontschuldigen voor wandaden waar zij evenveel mee te maken hebben als ik. Onze bakker durfde me met moeite aan te kijken.’

Daarom wil ik mijn flauwe antwoord op de vraag die ik van iedereen kreeg ‘Hoe is het daar in Molenbeek?’ even rechtzetten. Ik heb geen flauw idee hoe diep de extremistische wortels hier zitten die minister van Binnenlandse Zaken Jambon wil komen uittrekken. Ik heb wel gemerkt dat heel wat mensen zich hier schamen voor wat er gebeurd is, terwijl zij dat niet hoeven te doen. Bij deze wil ik hen een hart onder de riem stoppen.

Tot slot doe ik nog een oproep: zij die nog interessante scherven (lees: achtergrondstukken) hebben liggen die me kunnen helpen alles beter te vatten, mogen die hieronder altijd delen.

Mijn parallelle Diddenuniversum

Mijn parallelle Diddenuniversum

Ik heb net het stukje ‘Ik hou van (bijna) alle vrouwen’ van Marc Didden gelezen. Het is kleine ode aan Thérèse van het Brusselse café Au Laboureur.

Geen idee waarom, maar Marc Didden slaagt er iedere keer in een lach of een traan bij me uit te lokken. Zelfs wanneer ik op voorhand denk ‘deze keer gaat hij me niet hebben’, barst ik halverwege in proesten dan wel snikken uit.

Wanneer ik Marcs verhalen lees, bevind ik me plots in een parallelle wereld. In dat universum kennen Marc en ik elkaar goed. We delen onder meer dezelfde mening over koffie in Brussel. Meestal is die niet te drinken en bovendien veel te duur. Daarom drinken we het pure spul ofwel bij me thuis, ofwel in de koffiebar OR in de Ortsstraat tegenover de Beursschouwburg. Hij zal het nooit toegeven, maar stiekem komt hij liever langs in de Ribaucourtstraat. Dat heeft – voor alle duidelijkheid – niets met de koffie te maken, al komt die via Coolblue wel uit Ethiopië. Het is de lach van Marlies die hem tot in de hopeloze contreien van Brussel brengt. Ik zie het aan de pretoogjes achter zijn zwaar beglaasde montuur.

Wanneer Marlies er niet is, kunnen Marc en ik al eens vervallen in om ter luidst knorren. Niks heerlijkers dan elkaar versterken in verontwaardiging en teleurstelling bij het vernemen dat een man als Teun Voeten na tien jaar in Sint-Jans-Molenbeek wonen de moed heeft opgegeven. “Molenbeek is een etnisch-religieuze enclave geworden van een zeer gesloten, bekrompen gemeenschap”, vertelt hij aan de plaatselijke pers. Ik zie Marc ongemakkelijk op een van onze krakkemikkige stoelen ademen. Hij wil iets zeggen, maar vooraleer zijn excentriek nasaal stemgeluid de kamer vult, neemt hij nog een slok van zijn koffie.

Teun is een gerenommeerd oorlogsfotograaf. Hij werd al in zijn been geschoten in Bosnië én ontvoerd door Colombiaanse drugskartels. Hij is ook Nederlander, recht voor de raap, dat is niet anders wanneer hij een interview geeft aan brusselnieuws.be:

“Mensen hebben wel hun spiritualiteit nodig. Niets mis mee. Het probleem met moslims is vaak dat ze weters worden in plaats van gelovigen. Zij weten wat de waarheid is, en daarmee gedaan. In Molenbeek wonen veel weters.”

Ik vertel Marc dat ik onwetend ben. Naïef, dat ook. Ik ben maar een passant in Molenbeek. Twee jaar woon ik ondertussen in het charmantste achterhuis van ‘le petit Manchester’. De verhalen over mijn straat als no go zone voor politie zijn me niet vreemd, de vriendelijke bakker en hulpvaardige garagist ook niet. Ik vraag Marc of ik nu ook uit Molenbeek moet vertrekken?

Teun kwam ettelijke jaren toch ook met de beste bedoelingen naar Molenbeek, dat lees je op thepostonline.nl. “Ik vond het als antropoloog én als mens een uitdaging om in een multiculturele kansenbuurt te mogen wonen.” Of waren er andere motieven in het spel? “Ik was er gaan wonen omdat de loft spotgoedkoop was vanwege de slechte reputatie van Molenbeek”, vertelt hij later.

Marcs koffiekop is leeg en kan zich niet meer verbergen achter het zwarte spul. Hij herinnert me aan een gesprek dat hij ooit had met journalist Guido Fonteyn. ‘Guido vertelde me dat de aangeboren verdraagzaamheid van Brusselaars niet te onderschatten is. Nieuwe Belgen worden altijd zonder veel spanning opgenomen in het Brusselse stadsweefsel, en tussen hen en de ‘oorspronkelijke’ bevolking – wat wil dat trouwens nog zeggen? – zijn er ook weinig problemen. Die verdraagzaamheid is gegroeid uit de bakken ervaring die de Brusselaar heeft met omgaan met mensen van een andere cultuur.”

Is Teun er dan niet in geslaagd voldoende Brusselaar te worden? Of is er wat mis met de Brusselse verdraagzaamheid?

Ik zou het niet weten. Ik weet ook niet of Marc daar een antwoord op zou kunnen verzinnen. Wat ik wel weet: als ik volgende keer nog eens een uitstapje maak naar het parallelle Diddenuniversum neem ik geen maatschappelijk moeilijk te beantwoorden dilemma’s mee. Enkel deze vraag: Marc, zou je nog eens willen vertellen over Chubby Checker?

De Eerlijke Kakker

De Eerlijke Kakker

Hetgeen u hieronder leest is puur van hypothetische aard. Gelijkenissen met waargebeurde feiten berusten op puur toeval. Geloof me.

Stel, u bent in Gent en u moet naar Brussel. Het wolvenuur is geslagen. Autosnelwegen worden intensief bestrooid met zout. U bent net heel diep moeten gaan om een punt uit de brand te slepen in een minivoetbalwedstrijd van een niveau dat nog lager lag dan de vriestemperatuur die nacht. Toch is dat uur voetballen – als we het zo mogen noemen – erin geslaagd een bepaalde voldoening te genereren.

U installeert zich in uw wagen. De soundtrack voor de gezapige rit naar huis vindt u op Spotify. Het openingsnummer kiest u bewust: He Got Game van Public Enemy. Een kleine portie hoogmoed kan geen kwaad.

Toch?

U rijdt net de oprit van de E40 op wanneer u het voelt aankomen. Het was eeuwen geleden dat u dat nog had moeten meemaken: de gevreesde darmweeën. Er wordt altijd gezegd dat mannen zich niet kunnen voorstellen wat voor gevecht een vrouwenlichaam moet doorworstelen wanneer het een hoopje toekomst op de wereld werpt. En dat klopt waarschijnlijk ook. U bent er wel van overtuigd dat die darmweeën toch aardig in de buurt komen van dat gevoel. Zeker indien u rekening houdt met het feit dat uw pijngrens veel lager ligt dan de gemiddelde vrouw.

De frequentie van de pijnstoten verhoogt naarmate de boodschap dringender wordt

U staat eigenlijk op bevallen. De interne vatsigheid gedraagt zich bij momenten als een ongeleid projectiel om toch maar uitgang te vinden. Gecontroleerd in- en uitademen, de broek openzetten of keihard beginnen meezingen met de radio brengen geen baat.

De vergelijking met weeën gaat ook echt op wanneer u begint te beseffen dat de frequentie van de pijnstoten verhoogt naarmate de boodschap dringender wordt. Daar u eerst nog dacht door te kunnen tuffen naar Brussel om de vertrouwde pot te halen, bent u nu al blij dat u de afrit Wetteren haalt zonder Trainspotting-achtige taferelen te veroorzaken.

Probeer u vooral goed in te leven in dat gevoel en lees dan pas verder.

U hebt het gehaald, het tankstation van Wetteren. Het leven lijkt u toe te lachen, er is plaats net voor de deur. U parkeert, stapt uit, sluit de deur en wandelt de shop binnen, ongedurig zoekend naar het het symbool voor de sanitaire voorzieningen. Hoewel u zich net tussen twee darmweeën in zit, lijkt uw zicht vertroebeld. ‘Wat? Ze hebben hier toch wel toiletten, zeker?’

U snelt zo gecontroleerd mogelijk naar de kassa. De man achter het glas lijkt een beetje op Frank Vander linden, maar dan de versie die niet is doorgebroken in de nationale rockscene. Hij wijst me er vriendelijk op dat de toiletten zich in een ander deel van het gebouw bevinden. ‘Hier naar buiten, links door de glazen deur.’ Een glimlach verschijnt op uw gezicht.

In Antwerpen zouden niet alleen de para’s in staat van paraatheid zijn, ook de te dure gevechtsvliegtuigen zouden eindelijk in stelling kunnen worden gebracht.

De triomftocht naar de verlossing is van korte duur. De Frank was u vergeten vertellen dat u een stuk van vijftig eurocent nodig had om binnen te kunnen. U kent ze wel, de poortjes bestaande uit drie metalen baren die u toegang verschaffen zodra u betaald heeft. U voelt in uw zakken, twintig eurocent. De twijfel slaat toe. Keert u terug naar de shop om daar snel iets te kopen? De Frank geeft het verschil in munten terug en u verschijnt met een gerust gemoed in wat stilaan de hemel op aard begint te worden: de toiletten in een tankstation.

Of u springt over het poortje?

Hier zijn we aangekomen op het moment dat u zichzelf verbijsterd. U springt niet. Niet!

In plaats van voor de korte pijn te kiezen, beslist u voor de eerste optie te gaan. Natuurlijk had u er geen rekening mee gehouden dat uw portefeuille nog in de auto lag. Ondertussen manifesteren de darmweeën zich in de hoogste graad. In Antwerpen zouden niet alleen de para’s in staat van paraatheid zijn, ook de te dure gevechtsvliegtuigen zouden eindelijk in stelling kunnen worden gebracht.

U neemt uw bankkaart en snelt – het ziet er meer uit als strompelen – naar de kassa van de shop en neemt de eerste Bounty die u kan krijgen en legt de situatie uit aan de Frank. Dat u graag wisselgeld zou terugkrijgen om de plee te kunnen bezoeken. U lust niet eens Bounty’s.

Frank is duidelijk onder de indruk van uw onnavolgbare eerlijkheid, al wil hij dat liever niet laten zien. Hij antwoord: ‘U kunt toch ook gewoon over het poortje springen? U moet het weten, maar is dit niet wat geldverspilling?’ Het lijkt wel alsof hij weet dat u geen Bounty lust. Zelfs dan twijfelt u nog even alvorens u de Bounty teruggooit, Frank met een grijns bedankt en beslist om te springen. Benjijumpen is er niets tegen, al hebt u dat nog nooit gedaan.

U wandelt de toiletten terug buiten, eerst opgelucht, later wat beschaamd. U durft Frank zelfs niet meer aankijken bij het passeren. U beseft dat dit wel eens een bewakingsvideo-opname zou kunnen worden die de tankstationwereld zal rondgaan. Frank zal voor een passende titel zorgen: De eerlijke kakker. U kan alleen maar hopen dat hij Youtube nooit haalt.

En nogmaals, hetgeen u hierboven leest is puur van hypothetische aard. Gelijkenissen met waargebeurde feiten berusten op puur toeval.

Geloof me.
FREnEtieK

Das Auto, deel II

Meer dan een jaar geleden, nog voor het bestaan van deze wereldwijdewebstek, kon ik mijn euforie om de Volkswagen Passat niet onderdrukken en deelde die met heel de wereld. Vooral met mezelf geef ik eerlijk toe, maar dat doet niet ter zake. (Dat stuk lees je hier)

Die Volkswagen speelt opnieuw een grote rol in volgend epos. De moraal van het verhaal is… – ik vertel het nu al, dan kunnen de verzuurde lezers nu afhaken – het is allemaal zo slecht nog niet in Brussel.

‘Voor ik het goed en wel besef, zit er een Marokkaan in de Volkswagen met Marlies aan zijn zijde, de Duitse wagen op zijn beurt vastgemaakt aan de camionette van een Roemeen’

Het zal u allen niet verbazen dat de batterij van een motorwagen uit het jaar 90 zo plat als een vijg is wanneer je de lichten laat branden en pas twee weken later de vierwieler opnieuw nodig hebt. Verzachtende omstandigheden: bij moment van parkeren was het enorm mooi weer, de lichten brandden enkel omdat dat eenmaal aangewezen is wanneer je door een der Brusselse tunnels rijdt. Bovendien waren mensen ten tijde van productie van de wagen doordachtzamer en minder gehaast waardoor zij geen alarm nodig hadden dat hen waarschuwde wanneer zij per abuis de koplampen lieten opstaan. Vandaag de dag is nonchalance een trend en moet alles toch veel sneller (spreek ik mezelf nu tegen?), resultaat: platte batterij in de Ribaucourtstraat, Sint-Jans-Molenbeek.

Playmobilmodel

Even vloeken en balen, dat hoort er bij. Maar dan het besef, Sint-Jans-Molenbeek, dat is het walhalla van de garagisten en bricoleurs. Zo’n auto aan de gang krijgen is voor die mannen een fluitje van een cent. En kijk eens aan, dame Fortuna is ons genegen, blijken er toch wel startkabels in onze koffer te liggen zeker. Hoewel, nadat we de eerste Marokkaan, Tunesiër, Algerijn, Turk… – wat maakt het uit, allemaal in hetzelfde bedje ziek – bij de kraag vatten, blijken onze startkabels eerder voor een Playmobilmodel gemaakt te zijn. ‘C’est pour la poubelle’, deelt de allochtoon mee. Hij springt in zijn – waarschijnlijk gestolen, of toch minstens louche – bestelwagen, hij heeft thuis kabels van een betere soort liggen.

VW_Passat

Nog geen vijf minuten later staat de man terug bij ons aan de wagen, sluit de kabels aan waar die horen en hop, de bijna-oldtimer loeit als nooit tevoren. ‘Merci Beaucoup’ – ‘De rien’, et je suis Algérien.’ Dat weten we dan ook weer. Aangezien wij Vlamingen iedereen van vreemde afkomst toch graag over dezelfde kam scheren: die Algerijnen zijn echt topkerels! Even de accu laten chargeren, de Ribaucourtstraat uit en de Leopold II-tunnel induiken, nagenietend van onze overwinning op de automechaniek. Opnieuw kraaien we te vroeg victorie, eens uit de Leopold II-tunnel aan de lichten van de Keizer Karellaan valt ‘das auto’ stil. Wederom wat vloeken en balen. Bestuurders van achterliggende wagens kijken geërgerd hoe wij ongewild van twee rijvakken een rijvak maken. Even uitstappen om te helpen duwen lijkt te veel gevraagd. Bange wezels kopen een Mercedes, Porche of een dikke 4X4, die vallen niet stil. Uiteindelijk besluit een Brits koppel ons uit de nesten te helpen, oja, er is nog een andere bruine allochtoon die ons ook ter hulp schiet.

Maghrebijnen en Oost-Blokkers

Veilig aangekomen op de parking voor de prachtige basiliek van Koekelberg, speelt heimwee op: ‘waren we maar in Molenbeek, daar zijn we binnen het kwartier opnieuw op weg.’ Op zoek naar hulp treffen we twee Marrokkanen, ja, ze zijn hier dan ook met heel veel. Zij hebben jammer genoeg geen startkabels, maar hun vrienden in de moskee wel. Even het gebed onderbreken met een telefoontje en dat komt in de sacoche (let op de woordkeuze, want sacochen, daar zijn ze dol op). Tijdens het wachten rijdt een witte Opel bestelwagen de parking op, na wat non-verbale communicatie hebben de man en zijn vrouw ons door. Zij hebben startkabels. Blijken die toch wel niet uit Roemenië zeker, Maghrebijnen en Oost-Blokkers, dat loopt niet altijd even vlot, heb ik altijd al gelezen.

Op de parking van Koekelberg wel. Voor ik het goed en wel besef, zit er een Marokkaan in de Volkswagen met Marlies aan zijn zijde, de Duitse wagen op zijn beurt vastgemaakt aan de camionette van een Roemeen. Als dat maar goed afloopt. Want als die mannen al onder een hoedje beginnen spelen…
Ik – ondertussen verbijsterd door wat zich allemaal afspeelt – moet het gelul van die tweede Marokkaan aanhoren, die heeft wel een neef die de auto wel gerepareerd krijgt. Neven hebben ze genoeg. De Duitse trots wil niet starten, ondanks de onorthodoxe samenwerking, waardoor zich een fenomenale discussie ontwikkelt tussen de Roemeen, de twee Marokkanen en de twee besluiteloze Belgen. Na veel vijven en zessen besluit de Roemeen ons naar Molenbeek te slepen, de Marokkanen stemmen in, de Belgen… volgen.

blablabla

De Roemeen blijkt een gewiekste man, hij sleept de auto om de hoek van de basiliek, uit het zicht van de twee Marokkanen. Hij stapt uit met zijn geweer en… Grapje! Hij kon gewoonweg niet functioneren met die twee leuterende bruine vrienden: ‘les marrocains, c’est blablabla.’ Even de laadruimte induiken, dubbele startkabels, opladen, starten en hup, voor de tweede keer op weg. ‘Voila, moi, je suis roumain.’ Mochten we nog wat geld willen verdienen om een nieuwe auto te kopen, mochten we hem altijd eens bellen voor een jobke.

Moraal van het verhaal, je valt beter stil in een gure buurt vol criminele buitenlanders, dan in een schone buurt vol voorbeeldige Vlamingen. Ik kan dan ook niet wachten om in de zomer voor echt in Brussel te gaan wonen, in Sint-Jans-Molenbeek nog wel.

Het ga me goed,
En Marlies ook,

FREnEtieK